Portret: Weten dat je oké bent

Dirk van de Glind (59) liet het negatieve mensbeeld achter zich.

“Ik herinner me goed dat ik als jochie ‘s morgens vroeg op de keukentafel zat en een prachtige zonsopkomst zag. Ik dacht: vandaag gaat het gebeuren, Jezus komt terug. Mijn moeder had daarover verteld, het was bij haar de Here Jezus voor en na. Het zou toch prachtig zijn als ik de eerste was die dat zou zien en daarover mocht vertellen. Maar ja, je begrijpt dat het anders liep; op een gegeven moment sloop toch de twijfel binnen.
Ik ben opgegroeid met het idee dat het christelijke geloof het enige juiste was. Jezus is voor onze zonden gestorven, dat hele verhaal. Met daaraan gekoppeld het idee dat ik een heel slecht jongetje was. Dat zonde- en schuldbesef zit heel diep, ik heb er van tijd tot tijd nog last van. Een enorme twijfel: ben ik goed genoeg? Ik denk dat dit de meest fundamentele vraag is waar een mens tegenaan loopt.

Het was een veilige, overzichtelijke wereld waarin ik opgroeide. We deugden als mensen weliswaar niet, maar uiteindelijk zou het toch goed komen. Die kinderlijke wereld barstte voor mij pas open toen ik als
12-jarige jongen die beroemde foto van het blote napalmmeisje in Vietnam zag. De ontreddering op die foto... Het idee over goed en kwaad klopte totaal niet meer. De Amerikanen waren onze vrienden, had ik geleerd, maar zij hadden die napalmbommen gegooid. Ik heb er nachten slecht van geslapen. Gaandeweg heb ik me ontworsteld aan die wereld. Ik ben richting het godsdienstonderwijs gegaan en – veel breder – de levensbeschouwelijke vorming. Ik ging studeren aan een oecumenische opleiding, waar ik veel andere religieuze richtingen leerde kennen. Het negatieve mensbeeld waarmee ik opgroeide, kon niet kloppen. Zo kan een mens niet in elkaar zitten, dacht ik. In de loop der jaren begon het perspectief te kantelen. Als we het goede doen, zijn we het meest onszelf. Ons diepste wezen is gericht op liefde, verbinding. Geweld doet geen mens goed. 

Ik had natuurlijk net als veel generatiegenoten ook dat hele geloof achter me kunnen laten. Maar er was in mijn kinderziel kennelijk iets diep gezaaid dat er niet uit wilde. Dat had ook met de persoon van Jezus te maken, zijn goedheid, het verlangen naar een betere wereld. Er klopte niks van dat ik als kind allemaal dogma’s moest leren. Het is zo plat om te pretenderen dat je weet hoe het zit met God. Je haalt de verbeelding weg, de verwondering. Maar gaandeweg heb ik leren zien dat geloven vertrouwen is. Dat je, ook als je het niet helemaal zeker weet, toch je leven durft uit te zetten onder het kompas van de liefde. Zonder enige garantie trouwens. Maar als je met iemand vriendschap sluit of trouwt, heb je ook geen garanties; je hebt vertrouwen. 

Religies zijn voor mij menselijke pogingen om te dealen met de grote vraag- stukken van het leven. Het heeft twee voordelen: ik hoef jou niet meer te overtuigen of de hersens in te slaan als ik het niet met je eens ben, en ik kan van jou leren. Dat houd ik ook voor aan de jongeren op school. Een paar jaar geleden beleefde ik tijdens de diploma-uitreiking een heel mooi moment. Een knul van een jaar of zeventien sprak de zaal toe en zei: ‘Het belangrijkste wat ik op deze school heb geleerd, is: ik ben lief, ik ben gaaf en helemaal de moeite waard’. Dat zeg ik in de les ook altijd: weet dat je oké bent.”